HET BRIEFJE

 


Dit verhaal werd verteld door de student THEOLOGIE in NORG.

Als leerling van de kweek deed ik een stage in Norg.

Toen werkte ik met de student theologie in de zomer!

Het verhaal ........bleef bij me !

Ik gebruikte het verhaal in het boek  ROOIE RIEKELT 


HET BRIEFJE

Het gaat over een oom van onze meneer.

Die kon goed leren en studeerde na de middelbare school voor accountant”.

“Wat is dat”, vraagt Peter.

“Nooit van gehoord”.

"Dat is stom”, zegt Karin.

“Een accountant controleert de boeken van een bedrijf”.

“Welke boeken?” vraagt Jan Willem.

“Van de inkomsten en uitgaven”, zegt Karin deftig.

“Kan ik nu verder?

Want zo belangrijk is dat nu ook weer niet”.

 “Ga verder”.

“Toen hij klaar was met leren, zocht hij een baantje bij een niet al te groot bedrijf.

Daar werkte hij hard, om een goede naam te krijgen.

En het duurde niet lang of zijn baas liet hem merken, dat hij erg tevreden was.

Hij zei tegen hem:

“Je doet er verstandig aan hier niet langer te blijven.

Je moet proberen bij een groot bedrijf te gaan werken.

Daar heb je meer mogelijkheden om hoger op te komen.

Om een nog betere baan te krijgen.

Dat was erg aardig van die baas.

Hij hielp hem ook bij het zoeken naar een andere baan bij een heel groot bedrijf met allemaal filialen in het buitenland”.

“Wat zijn filialen?” vraagt Rooie Riekelt.

“Dat zijn bijkantoren, of bedrijven in andere plaatsen.

Toen kon hij beginnen bij dat grote bedrijf.

Maar dat viel in het begin knap tegen.

Hij was nu zijn eigen baas niet meer, zoals daar voor.

En hij had het gevoel, dat hij alles nog moest leren.

Dus besloot hij maar weer hard te werken en dat hielp.

Ze kregen hem in de gaten”.

“Wie”, vraagt Peter.

"Wanneer wordt het nu spannend.”

”Straks”, zegt Karin.

“Zijn chef kreeg hem in de gaten en gaf door aan de directie, dat hij een goede kracht was.

Op een dag kreeg hij een briefje, dat hij een gesprek moest hebben met een van de directeuren van het bedrijf.

Natuurlijk was hij erg zenuwachtig.

Maar gelukkig viel het erg mee.

De directeur was heel aardig.

Hij zei, dat hij erg tevreden was en dat hij een mooie opdracht voor hem had.

Hij mocht een week naar Parijs naar een filiaal van het bedrijf”.

“Niet gek”. zegt Jan Willem.

“Daar wou ik ook wel eens kijken.”

”Dat dacht hij ook.

Buiten wreef hij zich in de handen en maakte een luchtsprongetje.

Een week naar Parijs.

Dat was niet gek.

Een ding was jammer.

Zijn vrouw en kinderen konden niet mee, want hij moest daar werken.

Het filiaal in Parijs leed verlies.

En hij kreeg de opdracht te kijken waar, dat aan lag.

Hij moest dan terug komen met een rapport”.

“Wat is dat?” vraagt Rooie Riekelt.

"Wat gebruik jij een moeilijke woorden”.

“Dat is een verslag”, antwoordt Karin.

“Hij ging dus op reis met een koffer met kleren, een pyama en toiletartikelen.

In Parijs logeerde hij in een prachtig en heel duur hotel.

Hij had een plannetje gemaakt.

Als hij de eerste dagen van zijn bezoek aan Parijs hard werkte, dan kon hij misschien de laatste dagen gebruiken om de stad te zien, want hij was nog nooit in Parijs geweest”.

“Groot gelijk”. vindt Peter.

“Praat er nou niet aldoor doorheen.

Anders raak ik de draad kwijt.

Oh, ik heb nog iets belangrijks vergeten.

Je moet weten, dat die oom van meneer geen woord Frans sprak, of las.

Op het filiaal kreeg hij daarom hulp van een landgenoot die daar werkte.

De eerste dagen werkte hij dus hard om op tijd zijn werk af te krijgen.

De derde dag was hij wel wat moe.

Maar het was gelukt.

Hij kwam die dag klaar en hield dus nog een paar dagen over om Parijs te bekijken.

Hij vroeg zijn landgenoot of hij zin had om met hem mee te gaan.

Die wilde wel graag, maar hij kon niet, want hij moest de hele dag werken en kon geen vrij krijgen.

“Maar ik weet wel een oplossing”, zei hij.

“Ik zal zorgen dat je een gids krijgt.

Zo werd afgesproken.

De volgende morgen zou de gids op de oom wachten naast het hotel bij de benzinepomp.

Hij zou een krant onder zijn arm dragen.

Die dag werd hij al vroeg wakker.

Hij had er veel zin in om Parijs in te gaan.

Om kwart voor negen stond hij al bij de benzinepomp te wachten op de gids met de krant.

Om vijf uur over negen was hij er nog niet.

Om kwart over negen ook nog niet.

En om half tien werd de oom ongeduldig.

Hij ging heen en weer lopen en keek steeds op zijn horloge.

Maar alle wachten was vergeefs.

Om kwart voor tien kwam er plotseling een jongetje op hem afstuiven die hem een briefje in de handen drukte.

Nieuwsgierig vouwde hij het open.

Er stonden letters op.

Maar hij kon er niets van maken.

Het was zeker Frans.

In ieder geval niet zijn eigen taal.

Wat nu?

Hij besloot het te vragen aan de houder van de benzinepomp.

Met gebarentaal maakte hij hem duidelijk wat hij wilde.

De man maakte nog meer gebaren.

Bekeek het briefje en keek toen woedend op.

Hij begon te tieren en te razen en liep rood aan van kwaadheid.

Duwde de oom het briefje in de hand en drong hem weg bij de benzinepomp.

Hij begreep er niets van.

Het had natuurlijk met het briefje te maken.

Wat nu.

Dan maar naar het hotel.

Misschien kon de gerant helpen.

“Wat is een gerant nu weer?” vraagt Peter.

“Dat is de baas van de obers.

Hij moet de mensen ontvangen die in het hotel komen logeren.

Hij ging dus naar de gerant en maakte weer in gebarentaal duidelijk, dat hij wilde weten wat er in het briefje stond.

De gerant las, liep rood aan van kwaadheid, begon ook te tieren en te razen.

En even later stond oom met koffers en al op straat.

Hij begreep, dat hij het hotel was uitgezet, maar niet waarom.

Het had allemaal met het briefje te maken.

Toen begon hij nijdig te worden.

Hij dacht:

“Dat laat ik niet op me zitten.

Ik ga me beklagen bij de politie”.

Hij zocht een politiebureau.

Maakte in gebarentaal de dienstdoende agent duidelijk, dat hij wilde weten, waarom hij zijn hotel was uitgezet.

De politieagent kreeg het briefje ook te lezen.

Hij zei niets.

Pakte de telefoon.

Belde iemand op.

Even later stond de vreemdelingenpolitie voor ooms neus.

Die vertelde hem, dat hij binnen het uur het land moest verlaten.

Dat werd hem toch dol.

Ze deden maar wat, hier in Parijs.

Hij besloot zich te beklagen bij de consul.

“Wie is dat nou weer?  vraagt Rooie Riekelt.

“Dat weet ik”, zegt Peter.

"Dat is een landgenoot die in een vreemd land, zijn landgenoten moeten helpen, die in de nesten zitten”.

“Bij de consul hetzelfde verhaal.

Oom vertelde alle, wat er gebeurd was en de consul luisterde met stijgende verbazing.

Hij vond het maar een vreemd verhaal.

“Ik ook”, zegt Jan Willem.

“Laat dat briefje maar eens zien”.

Zei hij.

Bibberend gaf oom het briefje.

Even later zat hij al in het vliegtuig.

Het enige,wat de consul gezegd had, was dat hij er heel goed aan deed, zo spoedig mogelijk het land te verlaten.

“Waarom?” zei oom.

“U zoekt het maar uit. Ik zou maar doen, wat ik u aanraadt”.

Dat was alles.

Toen het vliegtuig landde, besloot hij nog even langs te gaan bij de directeur van zijn bedrijf om zijn rapport in te leveren.

Daar aangekomen vond de directeur het vreemd, dat hij al terug was.

Dat vertel ik straks wel”, zei oom.

“Eerst verslag uitbrengen”.

Dat zag er allemaal goed uit.

Hij kreeg een complimentje.

De directeur was tevreden.

”Nu vertellen´, zei hij.

En oom vertelde weer het hele verhaal.

” Laat zien dat briefje”, zei de directeur.

Weer bibberend gaf hij het briefje.

Even later stond hij op straat.

Hij was ontslagen.

Nu was oompje ten einde raad.

Gauw naar huis, dacht hij.

Naar vrouw en kinderen.

Ook zijn vrouw keek raar op, dat hij nu al terug was.

“Ga gauw zitten.

Drink koffie en vertel wat er gebeurd is”.

Dat wilde hij graag.

En toen kwam voor de zoveelste keer het hele verhaal eruit.

“Laat maar zien”, zei zijn vrouw.

Nu durfde hij het briefje wel te geven.

Het kon nooit zo erg zijn.

Maar het was het wel.

Drie weken later was hij gescheiden.

Zijn kinderen bleven bij zijn vrouw.

Wat moest hij nu?

Eerst maar zien, dat hij een baantje kreeg.

Maar overal waar hij kwam, moest hij het briefje laten zien en overal waar hij kwam, stuurden ze hem weer weg.

Het ging nu slecht met hem.

En nog steeds wist hij, niet wat er in stond.

Hij was ten einde raad.

“Dat kan ik me voorstellen”, zegt Marije.

“Wat stond er nou toch in vredesnaam?

“Dat komt”, zegt Karin.

”Er was nog maar een oplossing.

Hij moest eten om niet van honger om te komen.

“Dus ging hij stelen”, vult Rooie Riekelt aan.

“Nee, hij ging varen”.

“Varen?”

”Ja, varen.

Op de wilde vaart”.

“En wat is dat? “

”Dat is als schepen allerlei lading aannemen en de matrozen nooit weten. wat de volgende haven zal zijn of wanneer ze thuis komen.

De matrozen op de wilde vaart hebben bijna allemaal wat op hun kerfstok.

Ik bedoel op hun geweten.

Een of andere misdaad of zo.

En als het mooi weer is ’s avonds en er staat een zacht briesje en het werk is gedaan dan gaan ze bij elkaar zitten in een hoek van het dek en vertellen om de beurt hun levensgeschiedenis.

De een nog mooier dan de ander.

Ze zuigen dan ook heel wat uit hun duim.

Op een avond is oom aan de beurt.

Eerst wil hij niet.

Hij heeft al zoveel ellende beleeft met dat briefje en er is sindsdien altijd over gezwegen.

Maar hij moet.

De anderen zijn geweest.

Hij kan er niet onderuit.

Dus vertelt hij het hele verhaal.

Van de benzinepomphouder, van de gids, van de gerant, van de politie, van de consul.


“Hou asjeblieft op”, zegt Pater.

“Nu wil ik wel eens weten wat er op dat briefje stond”.

“Dat komt”, belooft Karin.

“Nog even geduld.

Als hij klaar is, wil iedereen natuurlijk dat briefje lezen.

Eerst wil hij niet, maar na lang aandringen, besluit hij dat het hem niets meer kan schelen.

Wat kan hem nu gebeuren.

Deze mannen hebben allemaal iets op hun geweten.

Geen probleem.

Dus hij duikt het vooronder in naar zijn kooi.

Grist het briefje uit de schuilplaats.

Rent de trappen op.

Met het briefje omhoog in zijn hand.

Hij duwt het luik open en net op dat moment komt er een stevige wind ruk………………..


Die blaast het briefje weg.

En hij heeft het sindsdien nooit weer gezien”.


Verbluft staren ze Karin aan.

“Wat een rotstreek”, zegt Peter die het begint te begrijpen.

”Wat een flauw verhaal”.

Hij haalt zijn schouders op.

“Als je nog eens wat weet”.

“Je zat toch maar even in spanning”, grinnikt Karin.

“Dat kun je niet ontkennen”.

“Ja” zegt Jan Willem.

“Goedgekeurd door de consumentenbond en de nationale vereniging van huisvrouwen.

Het is een spannend verhaal, maar het loopt stom af”.

“Dat is juist de grap”, verdedigt Karin zich.

Als leraar Nederlands af en toe vertelde ik dit verhaal in een klas.

Het verhaal liep stom af....dat was vaak de reactie! 

Reacties

Populaire posts van deze blog

NIEMEYER....GRONINGEN

Onbekende vrouwen met groot tekentalent

KOOI